Hoe personages hun narratief continueren door vergelijkingen te maken (en hoe schrijvers daar gebruik van maken)

We hebben gezien hoe we ons narratief continueren door mensen met elkaar te vergelijken. Maar we continueren ons narratief ook door voorwerpen en omstandigheden met elkaar te vergelijken.

Vergelijking van voorwerpen

Als het gaat om voorwerpen, vergelijken we bijvoorbeeld het ene boek van de schrijver met diens vorige boek. Of we vergelijken ons huidige huis met het huis uit onze jeugd.

Dat gaat om zaken, om voorwerpen, maar helemaal los te zien van mensen zijn ze niet. We zijn sociale wezens, en onze taal is een sociaal construct, en zelfs als we voorwerpen met elkaar vergelijken, heeft het ook iets met mensen te maken.

Neem huizen. Huizen hebben ook te maken met de mensen die er wonen. Als we het huis waar we nu in wonen vergelijken met een huis uit onze jeugd, dan kunnen we dat niet los zien van de mensen. Zoiets banaals als een wc bijvoorbeeld kan ons doen herinneren aan hoe het vroeger thuis met het gebruik van de wc eraan toeging, wat de gewoontes waren, hoe we in die gewoontes de karakters terugzagen, het kan ons ervan bewust maken hoe we onszelf nu zien.

Vergelijking van omstandigheden

Of neem omstandigheden. We zijn ziek maar we bijten door (zoals onze moeder dat ook altijd deed), of we bijten niet door en we nemen rust (en we herinneren ons de therapeut met wie we over onze gelijkenis met onze moeder spraken).

Of een zwangere vrouw die eerder een goed verlopen zwangerschap en bevalling heeft beleefd, neemt de kracht daarvan mee in haar huidige zwangerschap. Of een kind dat gepest is op de vorige school neemt de angsten mee naar de nieuwe school.

Het hoeft niet zo te zijn dat we wat er nu gebeurt bewúst koppelen aan wat er vroeger is gebeurd. Wie weet dat een kind op de nieuw school zich soms angstig voelt zonder aan de vorige school terug te denken. Toch voelt het de vergelijking wel.

Hoe schrijvers voorwerpen en omstandigheden kunnen inzetten

Wanneer een personage een vergelijking maakt, toont het indirect iets over diens verleden. Daarvan maken schrijvers gebruik. Via voorwerpen en omstandigheden kunnen schrijvers het verleden tonen.

De schrijver kan daarbij als expliciete verteller afwezig zijn. De schrijver hoeft niet het verhaal stil te zetten om iets over het verleden uit te leggen, maar kan mooi het narratief van het personage laten doorlopen in de voorwerpen en omstandigheden. Het verleden komt zo slechts indirect aan het licht, zoals zonlicht dat ’s nachts via de maan tot ons komt.

Proza laat zien hoe personages via vergelijkingen het verleden in het heden laten voortbestaan en daarmee hun narratief continueren.

Vergelijkbare berichten

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.